Het Spel - Nederlandse Klaverjas Unie

Ga naar de inhoud

Hoofdmenu:

Het spel:
Klaverjassen is een kaartspel dat gespeeld wordt door vier personen in twee paren. De twee tegenover elkaar zittende personen vormen een team. De naam is afgeleid van het oude begrip jas, dat staat voor de boer als hoogste troef. Hoewel klaverjassen doorgaans met vier spelers wordt gespeeld, bestaan er ook varianten die gespeeld wordend oor twee, drie of vijf personen.

Geven:
Alleen de 32 kaarten van 7 en hoger, inclusief de Azen, worden gebruikt. De kaarten worden met de klok mee gedeeld, iedere speler ontvangt er 8, er wordt 3-2-3 gedeeld (één voor één delen wordt als not-done beschouwd). Een complete wedstrijd bestaat uit 16 spellen (boompje) waarbij alle vier de spelers vier keer delen.

Twee hoofdvarianten in de regels van het bekennen:
Klaverjassen wordt in huiselijke kring voornamelijk in twee varianten gespeeld: Amsterdams (waar de officiële internationale wedstrijdreglementen van zijn afgeleid) en Rotterdams. Deze varianten hebben betrekking over de verschillende opvattingen over de troefplicht (zie beneden):
* Amsterdams gaat er vanuit, dat men van de plicht tot in/overtroeven wordt ontslagen als de slag aan de maat ligt (zie verder onder troefplicht).
* De Rotterdamse opvatting zegt dat men een maatslag moet introeven of overtroeven als men niet kan bekennen.
De Rotterdamse opvatting vind vooral ingang in de provincies/regio's Zuid-Holland, Zeeland, het westen van Noord-Brabant, West-Vlaanderen en gedeelten van Oost-Vlaanderen. De Amsterdamse opvatting domineert in de rest van de Benelux.
Deze Amsterdamse en Rotterdamse variant kan men spelen in combinatie met onderstaande varianten, die betrekking hebben op het bieden, bepalen van de troefkleur en/of puntentelling. Men kan dus Utrechts/Amsterdams, Utrechts/Rotterdams, Verplicht spelen/Amsterdams, Verplicht spelen/ Rotterdams, Leidsch/Amstrdams (maar meestal Leidsch/Rotterdams), Kraken/Amsterdams of Kraken/Rotterdams spelen, maar altijd moet men een keuze maken tussen de Amsterdamse en Rotterdamse opvatting.

Puntenwaardering:
De kaarten hebben puntenwaarde die meteen ook de relatieve hoogte van de kaart bepaalt.
Troef:                                                            Niet-troef:
Boer: 20                                                       Aas: 11
Negen (nel): 14                                          Tien: 10
Aas: 11                                                         Heer: 4
Tien: 10                                                       Vrouw: 3
Heer: 4                                                         Boer: 2
Vrouw: 3                                                     Negen: 0
Acht: 0                                                        Acht: 0
Zeven: 0                                                      Zeven: 0

Extra punten:
* Laatste slag: 10
* Roem (in één slag te behalen):
  - Driekaart (3 kaarten op een rij van dezelfde kleur): 20 roem
  - Vierkaart (4 kaarten op een rij van dezelfde kleur): 50 roem
  - Stuk (vrouw en heer van troef): 20 roem
* Vier gelijke kaarten (van 7 t/m aas): 100 roem
* Pit
  Als je alle slagen haalt met je maat, terwijl je zelf troef gekozen hebt, heb je een pit (ook wel een (door)mars genoemd) en krijg je 100 extra roem

Nat:
Wanneer degene die troefkleur heeft bepaald niet de helft + 1 van het aantal behaalde punten heeft behaald inclusief roem dan zijn ze NAT en ontvangen ze 0 punten en het andere team 162 plus het door beide partijen behaalde roem.
  * Clara & Bert 44 punten + 120 roem = 164
  * Laurens & Gert 118 punten + 20 roem = 138
Wanneer Laurens & Gert troefkleur hebben bepaald zijn ze nat en ontvangen dus 0 punten. Clara & Bert ontvangen deze ronde 302 punten.
De troef negen heet de nel. Vroeger werd ook de term jas voor de troef boer gebruikt. Vandaar de term "klaverjassen", de hoogste kaart in het eerste spel van de wedstrijd (vroeger was klaveren de troefkleur, waarop in de eerste ronde werd gespeeld).

Spelen van het spel:
De kaarten worden in slagen uitgespeeld: te beginnen met de speler links van de gever en met de klok mee legt iedere speler een kaart op tafel. Wie de slag wint, mag met de eerste kaart van de volgende slag uitkomen.

Troefplicht:
Bij klaverjassen moet men de gevraagde kleur altijd bekennen. Heeft men geen kaarten meer in die kleur dan moet men troeven. Deze zogenaamde troefplicht kent drie regels:
* Als er troef gevraagd wordt moet men een troef bijspelen die hoger is dan de hoogste troef op tafel, als men kan.
* Men moet als men niet meer kan bekennen introeven, dan wel overtroeven.
* Ondertroeven mag alléén als men geen andere kaarten dan lagere troeven in handen heeft indien een slag is ingetroefd of als er troef wordt gevraagd en men moet bekennen, zonder dat men hogere troeven heeft.

Verschil tussen Amsterdams, Utrechts en Rotterdams:
Het verschil tussen Amsterdams en Rotterdams ligt in het feit dat bij Amsterdams een slag niet ingetroefd of overgetroefd hoeft te worden als de hoogste kaart tot dan toe in die slag door de partner (maat) gespeeld is. In dit geval zou dus een hoge kaart van een andere kleur bijgelegd kunnen worden als men er zeker van is dat men de slag binnen heeft, of juist een heel lage, als een sein, of omdat het vrijwel zeker is, dat de vierde man de slag toch zal nemen. Daarnaast geldt bij Amsterdams dat degene na de "gever" verplicht is om troef te maken, terwijl er bij Utrechts en Rotterdams vaak troef gedraaid wordt vanaf eens tapel kaarten. Het verplicht spelen van de speler na de "gever" wordt soms ook in de Rotterdamse variant gebruikt, Rotterdams verplicht spelen.

Puntentelling:
In totaal zijn er 162 punten in het spel: 62 voor de troefkaarten, drie keer 30 voor de niet-troefkaarten en het behalen van de laatste slag levert ook nog eens 10 punten op. Het spelende paar moet meer dan de helft hiervan (81 punten) zien te behalen. Als er roem valt (zie verderop) wordt dit meegenomen in de telling. Als de tegenpartij meer of hetzelfde aantal punten heeft dan de spelenede partij dan zijn de spelers nat en gaan alle punten inclusief alle roem, naar de tegenpartij. Indien alle slagen bij het spelende paar belanden heet dat een doormars (of pit) en krijgen ze 100 roem extra.
Een zogenaamde "tegenmars" is gewoon nat (beet).

Roem:
Het spel wordt meestal met roem op tafel gespeeld. Roem is de aanduiding voor een opeenvolgnde serie kaarten. Een driekaart in dezelfde kleur levert 20 punten op. Een vierkaart levert 50 punten op. Voor het bepalen van de volgorde geldt voor de standaardvolgorde A-H-V-B-10-9-8-7. Vier gelijke kaarten (7 t/m aas) in dezelfde slag leveren 100 punten roem op.
De roem telt mee als het er om gaat te bepalen of het spelende paar al dan niet nat is. Zij moeten namelijk meer dan de helft van de totale puntenopbrengst, inclusief roem, van het spel zien te veroveren. Om deze reden is het soms verstandig om roem niet te melden, als je weet dat de roem toch al naar de tegenstander zou gaan.

Stuk:
De combinatie Heer en Vrouw van troef heet stuk en levert 20 punten extra op. Het stuk is altijd geldig. Een vierkaart waarin het stuk zit, bijvoorbeeld Aas, Heer, Vrouw en Boer van troef levert dus 50 roem + 20 roem = 70 roem op.

Fouten tijdens het spelen:
Een speler kan op verschillende manieren een fout maken (ook verzaken genoemd). Al naargelang met het mes op tafel wordt gespeeld of niet wordt bepaald wat de sanctie is. Meestal zal het spel verloren worden verklaard, een andere sanctie is dat de verzakende partij standaard "nat" speelt (ongeacht de behaalde punten) inclusief 100 strafpunten: eentotaal van 262 punten tegen bij verzaken dus.
Mogelijke fouten:
* Er wordt geen kleur bijgelopen terwijl men die wel in de hand heeft.
* Er wordt niet getroefd terwijl men wel troef heeft.
* Er wordt een, in een slag waarin troef is gevraagd, een lagere troefkaart bijgelegd dan die al op tafel lag (ondertroeven), terwijl men wel degelijk een hogere troef in handen heeft.
* Er wordt in een slag, die al is afgetroefd een lagere troefkaart bijgelegd dan die al op tafel lag (ondertroeven), terwijl men of wel degelijk een hogere troef in handen heeft of nog de gevraagde kleur in handen heeft.

Een rekenvoorbeeld met roem:
Stel dat de spelende partij 90 punten heeft behaald. Zonder roem zou het spel zijn gewonnen en heeft de tegenpartij de overige 72 punten. Maar als de tegenpartij 20 roem heeft behaald, hebben ze in totaal geen 72 maar 92 punten. De spelende partij heeft dus minder punten dan de tegenpartij en is nat.

Klaverjassen met 3 personen:
Iedere speler seelt voor zichzelf en heeft een eigen totaalscore. In elke ronde wordt er twee tegen een gespeeld. Aan het begin van elke ronde krijgt iedere speler tien kaarten. De twee overblijvende kaartenw orden "gedekt" (omgekeerd) op de tafel gelegd. Dan wrodt er met de klok mee geboden op het aantal punten dat elke speler denkt te kunnen halen. De speler lins naast de degene die deelt begint met bieden. Bij het bieden kan een speler passen of hoger bieden dan het hoogst gedane bod. Als een speler eenmaal gepast heeft bij het bieden, mag hij niet meer bieden. Het bieden houdt op als twee van de drie spelers hebben gepast. Degene die het hoogst biedt, speelt alleen tegen de overige twee. Hij mag de twee gedekte kaarten pakken en legt twee kaarten weer gedekt terug, en bepaalt de troefkleur. Het spel verloopt verder zoals bij 4 spelers. De speler die alleen speelt moet minimaal het aantal gebode punten behalen (inclusief roem) om niet nat te gaan. Aan het einde van de ronde worden de punten geteld. De twee spelers die samen speelden, delen hun aantal punten. De punten worden bij de individuele totaalscore opgeteld.
Als speelvariant in deze situatie, kan van de laatste twee kaarten er 1 open worden gelegd, de kleur van deze kaart bepaald welke kleur er troef is. Daarna kan (met de klok mee) elke speler bepalen of hij of zij met de kleur als troef wil spelen. Als ale spelers niet spelen (passen) wordt de tweede kaart ook open gelegd. Het is dan een kwestie van afspraak da de eerste speler die paste meot spelen, dn wel dat alle speleres nogmaals de mogelijkheid krijgen te passen.
Ook voor de twee kaarten die over zijn is ht mogelijk dat dee worden meegeteld bij de punten van de persoon die speelt. Een andre variant is dat de 2 kaarten die neergelegd worden bij de eerste respectievelijk tweede slag bijgelegd worden, en hun punten dus bij degene die de slag haalt worden geteld. Roem met de bijgelegde kaarten telt niet mee.
Het is ook mogelijk dat alle spelers hun behaalde punten zelf behouden en de alleen spelende persoon simpelweg meer punten moet behalen dan de punten van de overige spelers.

Klaverjassen met 2 personen:
De spelers zitten tegenover elkaar. De kaarten worden gedekt (omgekeerd, met het plaatje naar beneden) op tafel gelegd in een patroon van 4x4 en twee op elkaar. Iedere speler heeft dan twee rijen van vier.
Van de beide voorste rijen (het dichtst bij de beide spelers) worden de vier bovenste kaarten omgedraaid. Er wordt troef gedraaid en gespeeld of gepast. Als er wordt gepast mag de speler een troef kiezen. Vervolgens worden de 2x4 bovenste kaarten van de andere rijen omgedraaid. Er liggen nu dus voor iedere speler acht kaarten gedekt met daar bovenop acht open kaarten. De speler kiest een van zijn acht kaarten en speelt dee. De andre speler speelt hierop ook een kaart waarbij de normale regels gelden (zie boven). Zodra een slag is gespeeld worden eventueel vrijgekoen gedekte kaarten omgedraaid en kunnen daarna gespeeld worden.
Roem wordt gemeld van de (maximaal) acht open kaarten die voor een speler op tafel liggen.
De verdere puntentelling is gelijk aan normaal met vierpesoons klaverjassen.

Seinen:
Er zijn manieren om de maat te laten weten in welke kleuren men sterk is en in welke kleuren men niets heeft. Als men Amsterdams speelt en de maatslag niet hoeft in te troeven als men niet meer kan bekennen, schept dat extra mogelijkheden om informatie uit te wisselen. Door een kleine kaart van een andere kleur bij te spelen, laat u de maat weten dat u in die kleur het aas heeft of wilt dat partner die kleur speelt. Speelt men echter een 10, Heer, Vrouw of Boer bij, wil dat zeggen: 'ik heb niets/niet veel in die kleur'. (loop bij het 'spekken' van een 10 eerst de kans na, dat uw linkertegenstander ook niet meer kan bekennen en de slag met uw 'mooie 10' alsnog aftroeft!). Als men echt erg sterk is n een kleur, bijvoorbeeld het bezit van Aas, 10, Heer, 8, dan seint u niet met de 8 maar met het Aas; u laat uw maat dan weten, dat u die kleur zo kunt oprapen. Hij zal dan ook als hij van slag gaat altijd in uw kleur uitkoen, als hij die heeft. Bij het seinen van een Aas geld natuurlijk hetzelfde als voor een 10, dat men het gevaar kan lopen, dat de linker tegenstander de slag aftroeft.

Kleintje boer:
Dit is een conventie, een afspraak tussen twee partners. Het hecht een conventionele betekenis aan de uitkomst van de eerste slag als die kaart géén troef s. Als men uitkomt met een niet-troef kleintje (7-8-9) dan wil dit aan de maat zeggen: 'maat, ik heb de boer, probeer zo snel mogelijk aan slag te komen en kom daarna uit met een liefst roemgevoelige troef (Vrouw, tien) voor mij Boer'. Het voordeel van deze conventie is, dat men met een troefbezit van Boer, Heer toch de nel kan vangen, als die rechts vand e speler zit en zijn maat de 10 kan voorspelen. Men maakt hier gebruik van de regel dat overtroeven verplicht is en men vermijdt het risico dat een uitkomst met de Boer alleen de 7, 8 en Vrouw oplevert. De conventie kent ook risico's; als de maat niet aan slag kan komen, omdat hij geen bijkaart heeft, kan de tegenpartij op een gegeven moment slagen gaan introeven, waar zij eigenlijk 'geen recht op hadden' als meteen troef zou worden getrokken. Het andere risico is dat als men de Boer niet heeft en niet meteen troef wil trekken met moet uitkomen met een plaatje in een niet troefkleur (Aas, 10, Heer, Vrouw of Boer) en er een 'gevaarlijke hand'-situatie ontstaat.

Kleintje boer, kleintje terug:
Optie voor de maat van de troefmaker, indien dee alleen een kale troef nel heeft. Dit is een optie, die niet regelmatig voorkomt, maar wanneer de mogelijkheid zich voordoet, heel effectief kan zijn. Identiek aan het kleintje boer, komt de troefmaker uit met een niet-troef kleintje (7-8-9). Wanneer de maat nu aan slag komt, komt hij niet zoals het traditionele kleintje boer terug met een troef, maar komt hij een andre niet-troef kleintje uit. Hiermee zegt hij tegen zijn maat: 'Maat, ik het de kale nel, probeer opnieuw aan slag te komen en kom een troefkaart (niet de boer) uit. Met behulp van deze methode kan de troefmaker met zijn boer baas blijven en kunnen derhalve twee zekere slagen worden binnengehaald.

Boer over boer:
Bij het boer over boer seinen komt met een boer, maar niet de troefboer betekent dit dat hij de boer heeft, maar geens terke troefkaart (aas, negen, tien) maar twee of drie kleinere troeven. De maat moet hetzelfde doen als met kleintje boer en er zijn ook dezelfde risico's.

Gevaarlijke hand:
Een gevaarlijke hand-situatie is eigenlijk een omgekeerd Kleintje boer. Als de speler de boer heeft ontkend met een plaatje in een andre kleur (of als de tegenstander achter de speler heeft gekraakt kan men vermoeden, dat hij de Boer heeft) dan wordt de tegenstandier, die vóór (rechts) van de speler zit de gevaarlijke hand. Hij kan als hij aan slag komt er op speculeren dat zijn maat de Boer heeft (50% kans) en de speler allicht de nel. Als hij dan de troef 10 speelt en er valt B-10-9-X dan heeft de verdediging al 44 punten + 20 roem en heeft een goede zet gedaan om de spelende partij nat te krijgen. Heeft de maat van de speler de Boer dan hoeft dat ook niet zo'n ramp te zijn, dan heeft men alleen 20 roem weggegeven.

Tegenkleur seinen:
Bij tegenkleur sein je met een kaart, terwijl je eigenlijk de tegenkleur van zwart of rood wilt hebben. Als je harten seint wil je ruiten hebben en als je klaver seint wil je schoppen hebben. Het voordeel van het tegenkleur seinen is dat je lange kaart lang blijft en je hebt meer kans om een pit te spelen omdat je dan og een kaart van de vrije lange kleur kan spelen en zo een extra slag kan maken.










Terug naar de inhoud | Terug naar het hoofdmenu